Een werkweek
Een vijfluik
Maandag
Vanaf het moment dat ik de hoek omfiets, zie ik ze al in de verte scharrelen: een zwerm duiven. Ze lijken hun afslag richting de Dam te hebben gemist en zich daarom maar onder een boom aan het Krugerplein te hebben verzameld. Vleugelklappend verdringen ze elkaar in een poging een stukje van het Turks brood mee te pikken dat iemand heeft achtergelaten onder aan de stam van de Valse Christusdoorn.
In de zee van grijs en wit heb ik hem niet gezien: het jongetje dat plots in mijn ooghoek opduikt en met een snelle beweging in de zwerm grijpt. Ik ben de jongen en de duiven inmiddels al gepasseerd, dus ik moet me omdraaien om te zien hoe hij één beest uit de massa heeft weten te grissen en deze ondersteboven aan de poten optilt. Ongestoord graast de rest van de duiven verder in hun strijd om het Turks brood. Ik ben te verbaasd om iets te zeggen, dus terwijl het jongetje — hij zal niet ouder dan acht zijn — de duif met beide handen vastpakt, richt ik mijn aandacht op het fietspad voor me. Ik draai mijn hoofd weer om als ik achter me luid gefladder hoor. Het eerste wat ik zie zijn de handen van de jongen, waar een levenloze staart in rust — de duif die er net nog aan vastzat, lijkt verdwenen.
Het ontbijt in mijn maag protesteert. Dan kijk ik naar zijn gezicht: een blik van kinderlijke verwondering.
Dinsdag
In stilte verplaatst de avondspits van fietsers zich voort over de Weteringschans. Plots voegt een man zich vanaf de trambaan vlak voor ons in. Hij doet het achteloos, maar ik zou het amper afsnijden noemen. Toch is de lange fietser die hij achter zich heeft gedrukt duidelijk geïrriteerd. Met snelle trap haalt hij de man die invoegde in en in het voorbijgaan tikt hij hem met zijn rechterhand op het achterhoofd. De invoeger is hier niet van gediend en een boze woordenwisseling volgt. Benieuwd naar wat ze te zeggen hebben, pauzeer ik mijn podcast. De racistische drek uit de mond van de lange fietser stelt me teleur, evenals het jonge meisje dat me nu pas opvalt, achterop bij de invoeger.
Nadat hij gezegd heeft wat hij zeggen wilde, trapt de lange weer door en vergroot de afstand tussen hen. Toch voelt het niet af.
Laat het volgende stoplicht groen zijn, bid ik in stilte, maar tevergeefs.
Achter de wachtende auto’s en fietsers positioneer ik mezelf bewust tussen hen in: de vader en zijn dochtertje links van me, de lange op rechts. Ik zie de vader zijn fiets de stoep ophijsen en op slot zetten. Pas als hij afstapt, zie ik dat hij een nog jonger jongetje voorop heeft zitten. Even zijn mijn zorgen weg, als ik hem de straat zie oversteken richting de Albert Heijn, maar bij het passeren van de lange fietser maakt hij plots een snelle hoofdbeweging naar voren. De lange accepteert de uitdaging en parkeert zijn fiets.
Twee haantjes nemen plaats tegenover elkaar bij de ingang van de supermarkt.
Het stoplicht springt op groen.
Ik moet ergens zijn.
Als ik die nacht aan de kinderen op de fiets denk, word ik door een diep verdriet overvallen.
Woensdag
Tegen de tijd dat ik na mijn relatief rustige werkdag thuiskom, is het buiten al pikkedonker. Snel trek ik de sportkleding uit de kast voor de paar rondjes die ik vanochtend met mezelf had afgesproken. Midden in de woonkamer kleed ik mezelf om.
‘Ga je nu hardlopen?’ vraagt mijn vriendin, vanaf de bank.
‘Nog even snel, voor de wedstrijd’, antwoord ik.
Ze kijkt naar mij, dan naar buiten, waar de nacht het plein als een donkere deken bedekt.
‘Must be nice…’
Ajax speelt in eigen huis tegen Galatasaray. Het wordt 0-3. Pijn doet het inmiddels niet meer.
Donderdag
De aflevering van mijn podcast is afgelopen. Ik haal een dochter en haar moeder in, terwijl ik zonder naar mijn telefoon te kijken de volgende aflevering aanklik. Mijn ogen houd ik op de weg; ik ben een verantwoord fietser.
Dan hoor ik achter me een schreeuw. Een krullebol op een VanMoof vliegt vlak langs me.
‘Vooral niet kijken, hè!’ roept hij, opgefokt, maar sarcastisch. Boos draait hij zich naar me om en maakt een wegwerpgebaar.
Ik voel me dom. Ik voel me aangevallen. Ik voel schaamte die door boosheid wordt gemaskeerd. Ik voel een niet ik, maar jij. Ik voel de neiging als een malle achter hem aan te jagen, rakelings langs hem heen te schieten en dan…
Ja, wat dan eigenlijk?
Vrijdag
‘Hoe doen mensen het?’ vraagt hij me.
Het lijkt geen vraag die direct aan mij gesteld is. In stilte probeer ik te observeren of het wanhoop is of nijd, waarmee hij vandaag onze therapiekamer is binnengekomen. Het lukt me niet zijn gezicht te lezen.
‘Hoe doen mensen wat?’
‘Doorgaan, als alles tegenzit. Vertrouwen, als iedereen het op je lijkt te hebben gemunt. Liefhebben, als de mens in en in slecht lijkt.’
Ik knik. Ik ben het niet met hem eens, maar vandaag kan ik het moeilijk met hem oneens zijn.
‘Wat is het alternatief?’
Hij denkt na over mijn vraag, dan haalt hij zijn schouders op.
‘Hoe doe jij het?’
Deze vraag is direct aan mij gesteld, dat is duidelijk.
Haat is de makkelijke optie, denk ik in stilte. Mezelf onttrekken. Alsof ik geen onderdeel van dezelfde mensheid zou zijn. Maar ik vertik het om me te verontwaardigen; daarvoor is de mens te veelzijdig en het leven te bijzonder. En dus kies ik nog altijd voor de optie die je moeilijk zou kunnen noemen. Moeilijk, of naïef.
‘Ik weet het niet’, beken ik dan. ‘Ik doe het gewoon.’
Ik kijk mij aan. We zuchten.
‘Trouwens… Jij werkt toch niet op vrijdag?’
‘Klopt’, antwoord ik in stilte.
‘Nou, zullen we dan maar?’
Ik open mijn ogen en kijk naar het dunne streepje licht dat tussen de gordijnen is ontsnapt.
‘Wat is het alternatief?’



Heel mooi! Je voegt je bij de schrijver van de Kronkels.