De Vloer
... is een sociaalpsychologisch experiment
Als ik op een zekere dinsdagochtend het gezondheidscentrum betreed waar wij praktijkruimtes huren, tref ik al het meubilair van een van de kamers aan bovenaan de trap. Ik passeer het schouwspel, dat aan een vechtscheiding doet denken, en open de deur die naar de twee behandelkamers leidt. Het is de linkerruimte die leeggehaald blijkt; in de kale kamer knielt een klusjesman op de oranje vloer met in zijn handen iets dat op een föhn lijkt. In de rechterruimte blijkt het een zooi. Pas als ik wat meubels terugschuif naar hun oude plek, zie ik het: we hebben een nieuwe vloer.
Weg is het knallelijke oranje, dat mij aan kinderkots deed denken en in de afgelopen jaren door diverse patiënten werd vergeleken met gymzalen en ziekenhuisvloeren.
In het halve uur dat ik nog tot mijn eerste afspraak heb, richt ik de ruimte in zoals ik hem me herinner. Dan zet ik een paar stappen naar achter, de deuropening in, en zie dat het goed is: een behandelkamer. Een serieuze behandelkamer waar serieuze behandelaars serieuze behandelingen bieden. Associaties met sportlessen en cliniclowns behoren tot het verleden. Het heden: een serieuze behandelkamer.
Met serieus laminaat.
Een nieuwe vloer biedt nieuwe kansen, besef ik.
En in een psychologenvertrek, waar alles betekenis heeft, zou het zonde zijn om het vers gelegde laminaat te beperken tot een simpele ijsbreker. Daarvoor is mijn werk te bijzonder en mijn studieschuld te hoog. En dus, bedenk ik die ochtend tevreden, heeft de klusjesman me van zoveel méér voorzien dan alleen een nieuwe vloer. Zonder het te weten, hebben zijn föhn en hij me gezegend met een sociaalpsychologisch experiment!
Vanaf dat moment vraag ik mijn patiënten niet wat ze van de nieuwe vloer vinden. Dat zou te simpel zijn. Nee, die ochtend, en in de weken die daarop volgen, laat ik ze binnen, haal desgewenst iets te drinken voor ze, wacht iets langer dan ik normaal gesproken doe en stel ze dan een vraag die ze niet voorzien:
‘Is het je opgevallen?’
Allemaal zwijgen ze, een moment met stomheid geslagen. Ik geef ze de tijd. Zoals ik, voordat ik de deur voor ze opendoe, zelf een moment neem om, in een stille weddenschap met mezelf, in te schatten of zij het wél zullen zien.
Kent de patiënt de kamer? En kent de psycholoog de patiënt?
De enkelvoudige conclusie voor het dubbelvoudige onderzoek: nee.
Zo verbazend als zij mijn vraag vinden, zo verbaasd ben ik van hun antwoorden.
Ze zien dat de meubels verschoven zijn, dat de luxaflex opengedraaid zijn en dat er een ventilator in de hoek staat (die stond er, voor zover ik weet, ook al vóór de nieuwe vloer). Eén iemand ziet dat ik naar de kapper ben geweest. Maar, zo moet ik, tot mijn spijt, het sociaalpsychologisch experiment afronden: in de weken nadat het laminaat is gelegd, heeft niemand het door.
Niet de patiënten die in het verleden hun beklag hebben gedaan over het lelijke oranje. Niet de patiënten die hun ogen talloze keren – vermijdend, zwijgend of overvallen door emotie – op de kleur van ziekenhuisgymzaalkinderkots hebben laten rusten. Zelfs niet de patiënten die al vroeg moesten leren te allen tijde scherp te zijn, omdat de subtielste veranderingen voorbodes konden zijn van naderend onheil.
Niet de timmerman, de student, de manager of de dokter.
En nog het minst de psycholoog, die dacht dat hij de mens begreep.


